Over verworvenheden en waarden

Over verworvenheden waarden

 

Het groen onderwijs is van oudsher anders georganiseerd dan het onderwijs voor andere sectoren. Dat heeft te maken met de ontstaansgeschiedenis, de bijzondere positie van dit onderwijs onder het landbouwministerie en de rol die dit onderwijs vanuit die positie vervulde bij de ontwikkeling van de groene sector. Het groen onderwijs heeft daardoor heden ten dage een aantal bijzondere kenmerken.

In de discussie over welke verworvenheden van het groen onderwijs behouden moeten blijven bij de overheveling naar OCW, voeren vooral de unieke kenmerken de boventoon. De verticale scholengemeenschappen, de praktijkgerichtheid, kleinschaligheid en de verbinding tussen onderwijs en onderzoek bijvoorbeeld. Deze kenmerken zijn inderdaad van cruciaal belang voor deze onderwijssector omdat ze grote impact hebben op het functioneren van dit onderwijs. De beantwoording van de vraag wat de verworvenheden van deze onderwijssector zijn, kan echter niet losgezien worden van de vraag wat de waarden van het groen onderwijs zijn en in welke mate deze kenmerken daar een rol bij spelen.

Omdat die denklijn in de discussie over het behoud van de verworvenheden van groen onderwijs bij verhuizing naar OCW volgens ons aandacht verdient, maakten we dit boekje.

In korte interviews vertellen leerlingen/studenten (ook ouders), alumni, docenten en bestuurders over de betekenis van groen onderwijs in hun leer-of werkloopbaan en wat het hen en hun omgeving gebracht heeft. Met de optelsom - zo u wilt de gemene deler van deze ervaringen en opvattingen - kunnen wij natuurlijk niet bogen op representativiteit. Wel bieden ze een genuanceerd beeld van de waarden van dit onderwijs die borging verdienen en de kenmerken die deze waarden schragen. Daar gaat het laatste hoofdstuk over.

 

 

Sectoraal onderwijs: van winterscholen tot groene onderwijskolom

 

Rond 1870 werd met de start van de Rijkslandbouwscholen in Warffum en Wageningen de kiem gelegd van het huidige groen onderwijs dat zich door zijn ontwikkelingsgang tot op heden onderscheidde van het overige onderwijs. Beide scholen werden als afdeling verbonden aan de HBS'en in die plaatsen. Eind 19 e eeuw werden deze scholen omgezet naar hogere landbouw- en bosbouwscholen en kreeg het middelbaar landbouwonderwijs vorm in landbouwwinterscholen. Het onderwijs dat ze voor boerenzonen verzorgden, werd geconcentreerd in de wintermaanden als er op de boerenbedrijven weinig te doen was. Dit soort scholen en ook de tuinbouwwinterscholen nam begin 20e eeuw in aantal toe tot 30. Ook kwam er een middelbare tuinbouwschool voor meisjes. Het onderwijs werd verzorgd door Rijkslandbouwleraren die ook als consulent voorlichting gaven aan boeren en tuinders. Daarnaast waren er allerlei vakopleidingen. Aparte lagere landbouwscholen waren er aanvankelijk niet. Al vanaf de 18 eeuw heerste het idee dat de lagere school de kennis op landbouwgebied moest uitdragen. Onderwijzers werden geacht de nodige kennis daarvoor zelf op te doen. Halverwege de 19e eeuw konden ze daarvoor via cursussen die land- en tuinbouworganisaties aanboden, een onderwijsakte halen.

 

De hiërachische opbouw van het landbouwonderwijs kwam hiermee redelijk in de buurt van het 'gewone' onderwijs, maar organisatorisch was dat niet het geval. De scholen vielen onder de afdeling Landbouw van het ministerie van Binnenlandse Zaken, die in 1901 overging naar het ministerie van Handel en Nijverheid en vervolgens in 1935 naar het Ministerie van Landbouw dat toen werd opgericht. De naam van dat ministerie veranderde een aantal keer, maar het landbouwonderwijs bleef onder het ministerie vallen dat Landbouw in de portefeuille had. De landbouworganisaties vonden dat een goede zaak omdat op die manier een korte lijn met de praktijk van de landbouw geborgd was.

 

Begin jaren '20 van de vorige eeuw was de opkomst van de lagere landbouwscholen. Ze bleken een geweldig succes. In 1946 waren er al 145 scholen met in totaal een kleine 12.000 leerlingen. Hoewel er ruimte was voor praktijkvakken, werd meer dan de helft van de onderwijstijd besteed aan algemene kennis. Veel ouders en leerlingen vonden dat maar tijdverspilling en dat bevorderde de opkomst van praktijkscholen voor een groot aantal specialisaties waar leerlingen enkele weken per jaar naar toe gingen. Bovendien ontstond het leerlingwezen dat helemaal op de praktijk gericht was.

 

In 1963 kwam met de Mammoetwet een eind aan de status aparte van het landbouwonderwijs. Het agrarisch onderwijs- zo heette het toen - werd net zoals het overige onderwijs volgens de richtlijnen van deze wet georganiseerd. Desondanks bleef het agrarisch onderwijs ressorteren onder het Ministerie van LNV en behield het zijn eigen inspectie. Het agrarisch onderwijs onderscheidde zich verder ook nog van het overige onderwijs door de bevordering van doorstroming in de onderwijskolom en de grote aandacht voor praktijkonderwijs.

 

Rond 1960 telde Nederland 440 zelfstandige landbouwscholen. De overgrote meerderheid waren lagere landbouwscholen. Verder waren er 48 middelbare land- en tuinbouwscholen, 12 hogere-land - en tuinbouwscholen, 11 praktijkscholen en 1 landbouwhogeschool. Door wetgeving en aanscherping van de minimum leerlingenaantallen per school, zagen agrarische scholen zich gedwongen om via fusies hun onderwijs in stand te houden. Mede op aandringen van het Ministerie van LNV en de land - en tuinbouworganisaties waren dat steeds sectorale fusies. Zo'n belangrijke fusiebeweging was eind jaren '80 de aoc-vorming waarbij 71 lagere agrarische scholen en 48 middelbare agrarische scholen fuseerden tot 21 aoc's met in totaal 32.000 leerlingen. De 12 hogere agrarisch scholen bleven buiten deze aoc's, maar ook zij fuseerden onderling tot 5 hogescholen.

Anno 2017 omvat het groen onderwijs - zo heet het tegenwoordig - 17 instellingen met ruim 80.000 leerlingen en studenten:

  • 12 Aoc's (waarvan 2 onderdeel zijn van een OCW-school) die tezamen op 110 locaties bijna 60.000 leerlingen opleiden (waarvan ruim 34.000 vmbo en 25.000 mbo).
  • 4 Instellingen voor groen hbo die op 9 locaties voor bijna 11.000 studenten groen hbo verzorgen, waaronder de lerarenopleiding beroepsgerichte vakken in het groen onderwijs.
  • 1 Universiteit - Wageningen University & Research - die in Wageningen ruim 9.500 studenten opleidt en naast fundamenteel onderzoek ook het praktijkonderzoek voor de groene sector uitvoert.

 

Bronnen:

P. Boetzkes, Een halve eeuw vakblad (2014)

N.B. Goudswaard, Agrarisch Onderwijs in Nederland1783-1983 (Culemborg 1986)

P. Kooij, Een sucesstory; De Balans van 200 jaar agrarisch onderwijs (2014), In: P. Boetzkes (red.) 'Ruimte voor regioleren in groen onderwijs, de Toekomst in perspectief' (2014).

 

Systeemkenmerken

  • Verticale scholengemeenschappen vmbo-mbo (aoc's)
  • Kleinschaligheid en persoonlijke aanpak
  • Sectoraal georganiseerd onderwijs
  • Sterke binding tussen praktijk, onderwijs en onderzoek
  • Sterke praktijkgerichtheid
  • Verbinding met vakministerie
  • Intensieve samenwerking met bedrijfsleven
  • Internationaal gericht
  • Kennisdoorstroom onderzoek, onderwijs, bedrijfsleven
  • Eigen beroepsgerichte lerarenopleiding

Politiek instrument

Het groen onderwijs viel vanaf het begin van zijn bestaan onder het ministerie dat Landbouw in zijn portefeuille heeft en dat is tot heden toe zo gebleven. In eerste instantie was dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken, vervolgens het Ministerie van Landbouw, Handel en Nijverheid waarna Landbouw een zelfstandig departement werd en naast landbouw beleidsterreinen als visserij, natuur en voedselkwaliteit kreeg toebedeeld. Tegenwoordig valt het groen onderwijs onder het Ministerie van Economische Zaken dat ook verantwoordelijk is voor het beleidsterrein landbouw.

De reden voor deze opvallende, afwijkende positionering - het Ministerie van Onderwijs (tegenwoordig OCW) is immers verantwoordelijk voor het Nederlandse onderwijs - is dat de overheid het landbouwonderwijs inzette als politiek instrument om in samenwerking met het landbouwkundig onderzoek en de landbouwvoorlichting - ook wel het OVO-drieluik genoemd - de Nederlandse agrosector naar een hoger plan te brengen om de voedselvoorziening te garanderen. De landbouwcrisis in 1880 en de wederopbouw van Nederland na de Tweede Wereldoorlog leidden tot het besef dat de landbouw door rationalisatie, mechanisatie en schaalvergroting productiever en ondernemender moest worden om de voedselvoorziening te garanderen. Dat beleid heeft Nederland geen windeieren gelegd. Nationaal is de voedselvoorziening op orde, mondiaal neemt de Nederlandse agrosector een toppositie in.

 

>> download.artikel